Vragen over proefdierbeleid
Ons doel is een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen of behandelingen voor ernstige ziekten. Om de onderzoekstaken goed te kunnen uitvoeren is onderzoek met proefdieren in bepaalde gevallen noodzakelijk. BPRC handelt daarbij volgens de Nederlandse Wet op dierproeven (Wod); alleen als er geen alternatieven zijn, mogen apen ingezet worden voor biomedisch onderzoek naar ernstige ziekten. Wij handelen daarbij volgens het principe van de 3V’s: Vervanging, Vermindering en Verfijning van dierproeven.
Ja, voor sommige ziektes zijn er nog geen goede andere onderzoeksmethoden. Omdat het immuunsysteem en de hersenen van apen sterk lijken op die van mensen, zijn ze soms nodig voor betrouwbaar onderzoek.
We werken actief aan alternatieven. Maar organoids, celmodellen en computersimulaties kunnen complexe processen, zoals het immuunsysteem of hersenwerking, nog niet volledig nabootsen.
We gebruiken minder apen dan veel mensen denken. Een groot deel van de dieren maakt deel uit van onze fokkolonie en wordt niet ingezet voor onderzoek.
Wij willen net als iedereen minder dierproeven. Daarom hebben we een speciale onderzoeksgroep die nieuwe onderzoeksmethoden ontwikkelt.
Het principe van de 3Vs komt er in de basis op neer dat we (dankzij nieuwe technologien en verbeterde selectiemethoden) het benodigde aantal proefdieren tot het minimum beperken en dat we het leven van de apen zo aangenaam mogelijk maken. Zo willen we meer informatie halen uit minder dieren, zodat er minder proefdieren nodig zijn (vermindering).
BPRC huisvest drie soorten apen: de resusaap, de Java-aap en de marmoset. Een groot deel van de in totaal ongeveer 1000 dieren zit in fok en wordt niet voor experimenten gebruikt.
Alle resus- Java- en marmoset-apen binnen BPRC komen uit eigen fok. Een kostbare onderneming, maar dat maakt stressvol transport uit fokcentra in landen als China en Mauritius overbodig.
Nee, slechts circa 10% per jaar. En ze zijn nooit jonger dan 4 jaar (resus- en Java-apen) of 1,5 jaar (marmosets).
Door deze aanpak ervaren de dieren minder stress tijdens experimenten, omdat ze mentaal stabieler zijn dan dieren die vroeg uit de geboortegroep zijn weggehaald. Om de fok optimaal te laten verlopen, inteelt te voorkomen n de best mogelijke selectie van dieren voor het onderzoek te waarborgen, werken de koloniemanager (een gedragsdeskundige), dierenartsen en genetici nauw samen.
Apen staan genetisch het dichtst bij de mens; resusapen en mensen zijn genetisch zelfs voor ongeveer 93% genetisch gelijk aan elkaar. Je kunt overigens niet zomaar elke primaat inzetten voor elk onderzoek. Welke primaat geschikt is voor welk onderzoek, hangt af van allerlei factoren. De koloniemanager bepaalt samen met dierenartsen welke dieren geschikt zijn voor welke studies. De vrouwen binnen de kolonies hebben overigens een 50/50-kans dat ze nooit voor experimenten worden ingezet, omdat ze nodig kunnen zijn voor de fok.