Kennisbank

Vragen over ons proefdierbeleid

Home Kennisbank Proefdierbeleid

Vragen over proefdierbeleid

Ons doel is een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen of behandelingen voor ernstige ziekten. Om de onderzoekstaken goed te kunnen uitvoeren is onderzoek met proefdieren in bepaalde gevallen noodzakelijk. BPRC handelt daarbij volgens de Nederlandse Wet op dierproeven (Wod); alleen als er geen alternatieven zijn, mogen apen ingezet worden voor biomedisch onderzoek naar ernstige ziekten. Wij handelen daarbij volgens het principe van de 3V’s: Vervanging, Vermindering en Verfijning van dierproeven.

Is het echt nodig om apen te gebruiken voor medische vooruitgang?

Ja, voor sommige ziektes zijn er nog geen goede andere onderzoeksmethoden. Omdat het immuunsysteem en de hersenen van apen sterk lijken op die van mensen, zijn ze soms nodig voor betrouwbaar onderzoek.

We werken actief aan alternatieven. Maar organoids, celmodellen en computersimulaties kunnen complexe processen, zoals het immuunsysteem of hersenwerking, nog niet volledig nabootsen.

Lees meer
Hoeveel apen zet BPRC elk jaar in?

We gebruiken minder apen dan veel mensen denken. Een groot deel van de dieren maakt deel uit van onze fokkolonie en wordt niet ingezet voor onderzoek.

Het aantal apen dat wél wordt gebruikt, daalt al jaren. In 2024 voerde BPRC bijvoorbeeld 134 dierproeven uit.

Lees meer
Wat doet BPRC om onderzoek zonder dierproeven te bevorderen?

Wij willen net als iedereen minder dierproeven. Daarom hebben we een speciale onderzoeksgroep die nieuwe onderzoeksmethoden ontwikkelt.

We ontwikkelen nieuwe modellen die dieren kunnen vervangen, zoals celmodellen, organoids en computermodellen. Bij elk onderzoek bekijken we eerst welke methodes zonder dieren we kunnen gebruiken en wanneer apen echt nog nodig zijn. Zo werken we stap voor stap toe naar minder dierproeven in de toekomst.

Lees meer
Wat betekent dat principe in de praktijk?

Het principe van de 3Vs komt er in de basis op neer dat we (dankzij nieuwe technologien en verbeterde selectiemethoden) het benodigde aantal proefdieren tot het minimum beperken en dat we het leven van de apen zo aangenaam mogelijk maken. Zo willen we meer informatie halen uit minder dieren, zodat er minder proefdieren nodig zijn (vermindering).

Verder steken we veel energie in het zoeken naar mogelijkheden om onderzoek te doen znder dierproeven (vervanging). Ook besteden we veel aandacht aan ethologisch onderzoek, waarmee we door het observeren van de apen tot nog betere leefomstandigheden komen en door het trainen van onze dieren stress zoveel mogelijk voorkomen (verfijning).

Lees meer
Hoeveel apen leven er bij BPRC?

BPRC huisvest drie soorten apen: de resusaap, de Java-aap en de marmoset. Een groot deel van de in totaal ongeveer 1000 dieren zit in fok en wordt niet voor experimenten gebruikt.

Het overgrote deel, van het dierenbestand bestaat uit resusapen (Macaca mulatta). Deze dieren zijn uniek, omdat ze gekarakteriseerd zijn voor een groot aantal genetische, virologische en immunologische eigenschappen. Dit betekent dat we dieren met zorg voor het juiste type experiment kunnen selecteren. Op die manier is het mogelijk het aantal apen dat nodig is voor een experiment zoveel mogelijk te beperken.

Lees meer
Hoe komt BPRC aan apen?

Alle resus- Java- en marmoset-apen binnen BPRC komen uit eigen fok. Een kostbare onderneming, maar dat maakt stressvol transport uit fokcentra in landen als China en Mauritius overbodig.

Wanneer van een bepaalde soort (in een uitzonderlijk geval) meer dieren nodig zouden zijn dan intern gefokt, of wanneer nodig voor vers bloed, kopen we soms apen in bij andere gespecialiseerde fokcentra in Europa. Er worden NOOIT apen aangeschaft die in het wild zijn gevangen. BPRC volgt alle Europese regelgeving nauwkeurig op.

Lees meer
Worden alle apen ingezet voor experiment?

Nee, slechts circa 10% per jaar. En ze zijn nooit jonger dan 4 jaar (resus- en Java-apen) of 1,5 jaar (marmosets).

De jonge dieren blijven tot die tijd in principe in hun geboortegroep. Dit is de leeftijd waarop in de natuur ook migratie naar andere groepen plaatsvindt. Op deze wijze proberen we de natuurlijke patronen zoveel mogelijk na te bootsen.

Lees meer
Wat is het voordeel van die werkwijze?

Door deze aanpak ervaren de dieren minder stress tijdens experimenten, omdat ze mentaal stabieler zijn dan dieren die vroeg uit de geboortegroep zijn weggehaald. Om de fok optimaal te laten verlopen, inteelt te voorkomen n de best mogelijke selectie van dieren voor het onderzoek te waarborgen, werken de koloniemanager (een gedragsdeskundige), dierenartsen en genetici nauw samen.

Waarom apen en niet ratten of muizen?

Apen staan genetisch het dichtst bij de mens; resusapen en mensen zijn genetisch zelfs voor ongeveer 93% genetisch gelijk aan elkaar. Je kunt overigens niet zomaar elke primaat inzetten voor elk onderzoek. Welke primaat geschikt is voor welk onderzoek, hangt af van allerlei factoren. De koloniemanager bepaalt samen met dierenartsen welke dieren geschikt zijn voor welke studies. De vrouwen binnen de kolonies hebben overigens een 50/50-kans dat ze nooit voor experimenten worden ingezet, omdat ze nodig kunnen zijn voor de fok.