‘Wat wij hier doen, is iets heel bijzonders’

Op de foto: adjunct-directeur Jan Langermans en directeur Merel Langelaar bij een van de buitenverblijven van de apen.
Op Wereldproefdierendag wordt wereldwijd gesproken over het nut en de noodzaak van dieronderzoek. Voor het Biomedical Primate Research Centre is het een moment om uit te leggen wat onderzoek met apen oplevert voor de gezondheid van mensen wereldwijd. “Onderzoek met apen is een klein, maar belangrijk onderzoeksveld”, zegt Jan Langermans, adjunct-directeur van BPRC.
Het immuunsysteem en het neurologische systeem van apen lijken sterk op dat van de mens. “Precies daarom spelen ze een essentiële rol in de bestrijding van ernstige infectieziekten en complexe hersenaandoeningen,” stelt Jan Langermans, die ook hoogleraar dierenwelzijn is aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht.
“We doen bij BPRC onderzoek op allerlei manieren, van computermodellen en celkweken tot organoïden. Maar juist omdat apen op belangrijke biologische punten zo sterk op de mens lijken, spelen ze een rol die je met geen enkel ander model volledig kunt vervangen.”
Zijn collega, Merel Langelaar, directeur van het biomedisch onderzoeksinstituut knikt. “We zijn nationaal en internationaal van strategisch belang. Zolang er ziektes zijn en nieuwe ziektes bijkomen, blijft de noodzaak bestaan om nieuwe behandelingen en vaccins te ontwikkelen. Als we in Europa sterk willen blijven, moeten we dat onderzoek ook in eigen huis kunnen doen.”
Van polio tot transplantatiegeneeskunde
De geschiedenis laat het belang van het onderzoek duidelijk zien, vult Jan aan. “Het poliovaccin is ontwikkeld met behulp van apen. Een ziekte die ooit wereldwijd miljoenen mensen trof, is nu bijna uitgeroeid. En ook recenter zie je dat terug. Deep brain stimulation, een behandeling voor mensen met de ziekte van Parkinson, had zonder dit type onderzoek niet ontwikkeld kunnen worden.”
Ook op andere terreinen heeft onderzoek met apen veel bijgedragen. “Hier in Rijswijk hebben we veel belangrijk onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld niertransplantaties en beenmergtransplantaties. Dat heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de transplantatiegeneeskunde.”
Niet voor al het onderzoek zijn apen nodig. Bij BPRC worden allerlei onderzoeksvormen gebruikt, van computermodellen, celkweken tot organoïden. Maar voor bepaalde ziekten, met name infectieziekten en hersenaandoeningen, vormen apen nog steeds het beste model.
‘Maar weinig plekken waar die expertise echt samenkomt’
Bij BPRC zijn verschillende coronavaccins getest, waaronder dat van Janssen. Ook werkt het instituut mee aan de ontwikkeling van vaccins tegen infectieziekten zoals malaria, tuberculose en gele koorts.
Daarnaast doet BPRC onderzoek naar complexe hersenaandoeningen, zoals Parkinson en Alzheimer.
“We zien dat onze samenleving vergrijst,” zegt Merel. “Tegelijk weten we dat factoren van buitenaf, zoals infecties, fijnstof of pesticiden, invloed kunnen hebben op het ontstaan van dit soort aandoeningen. Eerder doorgemaakte infecties zijn zo’n factor die we onder gecontroleerde omstandigheden kunnen onderzoeken.”
Jan benadrukt dat daar een belangrijke kracht van het instituut zit. “Wij combineren onderzoek naar infectieziekten en neurodegeneratieve ziektes. Die werelden raken elkaar steeds meer, maar er zijn maar weinig plekken waar die expertise echt samenkomt.”
Wat BPRC uniek maakt
Die combinatie is juist relevant voor de toekomst. “We weten nog verrassend weinig over de langetermijneffecten van infecties,” zegt Merel. “Denk aan long covid, maar ook aan mogelijke verbanden met neurologische aandoeningen later in het leven.”
Dat is volgens Merel precies wat het werk van BPRC bijzonder maakt. “In ons instituut kunnen onderzoekers dit soort complexe vragen onder gecontroleerde omstandigheden onderzoeken. Er zijn maar weinig plekken waar die expertise, infrastructuur en ervaring zo samenkomen.”
Wat BPRC volgens Jan daarnaast uniek maakt, is de eigen fokkolonie van ruim 900 apen. “We kennen onze dieren vanaf hun geboorte, volgen hun gezondheid en gedrag en hoeven ze niet te importeren. Dat geeft ons veel controle. En dat zie je direct terug in de kwaliteit van het onderzoek.”
Dit type onderzoek vraagt om specifieke kennis, infrastructuur en ervaring. Dat maakt het werk schaars en niet eenvoudig te vervangen. Die controle zit niet alleen in de data, maar ook in hoe de dieren worden gehouden en begeleid. De apen leven in sociale groepen, met ruimte om te klimmen en te spelen. Ze worden getraind om rustig mee te werken aan handelingen, zodat stress zo veel mogelijk wordt beperkt.
Dierenwelzijn
“Dat is geen bijzaak”, zegt Merel. “Wij gaan verder dan de nationale en internationale verplichtingen voor dierenwelzijn, omdat we dat belangrijk vinden voor de dieren. Ze leven hier onder zo natuurlijk mogelijke omstandigheden. Dat is óók essentieel voor goed onderzoek. Minder stress betekent betrouwbaardere data.”
Ze vervolgt: “Juist die combinatie van hoogwaardig onderzoek en een hoge standaard voor dierenwelzijn maakt het werk hier bijzonder.”
Daardoor lijken de omstandigheden meer op de werkelijkheid, en dat zie je terug in hoe goed de resultaten naar de mens te vertalen zijn.
Steeds vaker werken verschillende vakgebieden samen aan onderzoeken. BPRC werkt bovendien samen met partners in Europa en daarbuiten en maakt deel uit van internationale netwerken.
“Zeker sinds COVID weten we hoe belangrijk het is om snel te kunnen opschalen en kennis te delen”, zegt Merel. “Bij de coronapandemie konden we snel schakelen. Binnen korte tijd hadden we een werkend diermodel, waardoor we vaccins konden testen.”
Zo veel mogelijk kennis, met zo min mogelijk dieren
“Dat is geen toeval”, voegt ze toe. “Daar is decennialang in geïnvesteerd: in infrastructuur, kennis en vergunningen. Je moet klaarstaan voordat een nieuwe ziekte zich aandient. Dat is niet alleen belangrijk voor toekomstige pandemieën, maar ook voor bredere biologische dreigingen.”
Binnen het onderzoek wordt continu gekeken hoe het beter en efficiënter kan verlopen. “We proberen met zo min mogelijk dieren zo veel mogelijk kennis te genereren”, zegt Jan. “Als een dier na een studie wordt geëuthanaseerd, bijvoorbeeld na onderzoek naar een virusinfectie, dan bewaren we weefsels, bloed en DNA in biobanken. Die worden wereldwijd gebruikt.”
Slimmer onderzoek
“De impact van één dier gaat veel verder dan één experiment”, zegt Merel. Volgens de directeur is dat de richting waarin het veld zich ontwikkelt. “We willen slimmer onderzoek doen. Met én zonder dieren. Waar het kan, gebruiken we alternatieven. Maar voor een aantal complexe ziektes zijn diermodellen nog steeds nodig. Met dierstudies kunnen we bovendien ook nieuwe proefdiervrije methodes ontwikkelen en valideren.”
Jan vat het nuchter samen: “Het is geen zwart-witverhaal. Voor sommige vragen heb je geen beter model dan dit. En als dat zo is, dan moet je het zo goed en zorgvuldig mogelijk doen.”
